Een korenslang vraagt weinig tijd en veel regelmaat. Dit is wat er in een gewone week gebeurt.
Bekijk de korenslangen die nu klaarstaan
Lees de temperatuur af, controleer het water en kijk of het dier normaal ligt en ademt.
Ververs het water, haal ontlasting eruit en veeg de plek eromheen schoon.
Schrijf datum en prooimaat op. Zo zie je een patroon zodra er iets verandert.
Zodra de ogen troebel worden, laat je het dier met rust en verhoog je de luchtvochtigheid.
Bodembedekking vervangen, inrichting schoonmaken en de thermostaat opnieuw controleren.
Een thermostaat hoort standaard bij elke warmtebron en houdt de temperatuur op de ingestelde waarde.
Meet op de bodem waar het dier ligt, want daar telt de temperatuur.
Laat een dier na een maaltijd twee dagen met rust, anders geeft hij het voer terug.
Kies een prooi die ongeveer even breed is als het dikste deel van de slang.
Met twee schuilplaatsen vindt het dier aan beide kanten beschutting.
Voer op een tegel of in een aparte bak, dan blijft het substraat waar het hoort.
Een jong dier elke vijf tot zeven dagen, een volwassen dier elke tien tot veertien dagen. Kies een prooi die ongeveer even breed is als het dikste deel van de slang.
Meet op de bodem, aan de warme en aan de koele kant, en gebruik altijd een thermostaat op de warmtebron. Twee metingen per dag geven je snel een betrouwbaar beeld.
Dat wijst meestal op te droge lucht. Bied een vochtige schuilplaats aan en verhoog de luchtvochtigheid tijdens de vervelling. Blijft er huid achter rond de ogen of de staartpunt, neem dan contact op.
Een paar keer per week een korte sessie is prima. Sla het over vlak na een maaltijd en tijdens een vervelling.